|
Een sonnet (< Italiaans sonetto of Provençaals sonet 'liedje') of klinkdicht is een veertienregelig metrisch gedicht. Het is door de eeuwen heen waarschijnlijk de populairste dichtvorm in de westerse letterkunde.
StructuurOorspronkelijk was het woord sonnet slechts de algemene aanduiding voor 'een kort gedichtje'. Veel gedichten die men in de zestiende eeuw nog sonnetten noemde, vallen voor ons niet meer in die categorie. Tegenwoordig verstaan we onder een sonnet echter alleen gedichten die bestaan uit precies veertien versregels en voldoen aan bepaalde specifieke vormeisen wat betreft strofe-indeling, rijm en metrum. In de oorspronkelijke, Italiaanse vorm zijn de veertien regels verdeeld over vier strofen. De eerste twee strofen bestaan uit vier regels, de kwatrijnen. Samen heten deze strofen het octaaf. De laatste twee strofen hebben elk drie regels, de terzinen. Deze strofen heten samen het sextet. Na het octaaf ligt een inhoudelijke wending, ook wel chute of volta genaamd. De gedeelten voor en na de chute vormen een eenheid van vorm en inhoud. Het octaaf beschrijft bijvoorbeeld een landschap en het sextet geeft een overpeinzing bij dit landschap. De versregels zijn over het algemeen metrisch gestructureerd, maar de ritmische vorm verschilt per taalgebied. In het moderne Nederlands is – net als bijvoorbeeld in het Engels – de jambische pentameter het gebruikelijkst. In de Franse klassieke periode, en in navolging daarvan ook bij Nederlandse renaissancedichters als P.C. Hooft, was de alexandrijn gebruikelijker. Het rijmschema is vaak abba abba cdc dcd. Maar ook andere rijmschema's worden gebruikt. In het sextet bijvoorbeeld cdc cdc of cde dce of, zoals in het sonnet van Nijhoff hieronder: efe fef. In Engeland ontstond in de zestiende eeuw een afwijkende vorm, het Engelse sonnet of Shakespearesonnet genoemd – naar William Shakespeare, die de langste en beroemdste sonnettencyclus in deze vorm schreef. Het Engelse sonnet bestaat uit drie strofen van vier regels (kwatrijnen), gevolgd door een strofe van twee regels (distichon). Op welke plaats de volta precies voorkomt, is moeilijker te bepalen. Volgens sommigen is bij het Engelse sonnet geen sprake van een volta of chute. Het door Shakespeare gebruikte rijmschema is abab cdcd efef gg. Ook het strengere rijmschema abab bcbc cdcd ee komt voor, met name bij Edmund Spenser (deze vorm wordt dan ook wel het Spenseriaanse sonnet genoemd, zoals hij die toepaste in zijn sonnettencyclus Amoretti). SonettenkransEen reeks sonnetten over hetzelfde onderwerp heet een sonnettenreeks of sonnettencyclus. Ook het woord sonnettenkrans wordt gebruikt, maar dat kan tot verwarring leiden: een sonnettenkrans is ook de naam voor een reeks van precies vijftien sonnetten met strenge vormeisen. Daarin moet bijvoorbeeld de slotregel van elk sonnet ook weer de beginregel van het eerstvolgende sonnet zijn, en/of moet het vijftiende sonnet zijn samengesteld uit de begin- of eindregels van de eerste veertien sonnetten. GeschiedenisDe oorsprong van het sonnet ligt in het dertiende-eeuwse Italië, waar het vermoedelijk aan het hof van Keizer Frederik II werd 'uitgevonden', mogelijk door Giacomo da Lentini. De beroemdste vroege sonnettenschrijver was echter Francesco Petrarca, wiens Canzoniere grotendeels uit sonnetten bestond. Ook Dante publiceerde vele sonnetten. Hierna werd het sonnet al snel populair in heel (West-)Europa, en ontstond er een veelheid van variaties op de vaste vorm. Schrijvers als de Engelsman William Shakespeare, de Fransman Pierre de Ronsard en de Duitser Martin Opitz gaven ieder een eigen draai aan de versvorm. In de achttiende eeuw raakte het sonnet enige tijd uit de gratie, maar rond de tijd van de Franse Revolutie dook het gedicht in allerlei landen weer op. Dichters als August Wilhelm Schlegel en Johann Wolfgang von Goethe in Duitsland, William Wordsworth in Engeland, Aleksandr Poesjkin in Rusland schreven vele beroemde sonnetten. Sindsdien lijkt het veertienregelige gedicht uit geen enkele Europese literaire traditie verdwenen. Het sonnet in de Nederlandse letterkundeLucas de Heere introduceerde het sonnet in de zestiende eeuw in de Nederlandse literatuur, maar het genre kwam hier pas tot bloei toen in de 17e eeuw dichters als Joost van den Vondel, Roemer Visscher, G.A. Bredero en vooral P.C. Hooft sonnetten begonnen te schrijven. Daarna is het sonnet nooit helemaal verdwenen. In de achttiende en een groot deel van de negentiende eeuw werden er weliswaar minder sonnetten geschreven, maar Jacques Perk en de Tachtigers herintroduceerden de vorm weer. In de twintigste eeuw schreven vooraanstaande dichters als Martinus Nijhoff en J.C. Bloem veel beroemd geworden sonnetten. Na de Tweede Wereldoorlog raakte het sonnet weer even uit de gratie, maar in de jaren zeventig stonden weer enkele dichters op als Jan Kuijper en Gerrit Komrij die vol overtuiging teruggrepen op het sonnet. Plezierdichter Kees Stip, meer bekend van zijn dierengedichten, schreef 144 sonnetten. TekstvoorbeeldHet volgende Nederlandse sonnet is van Martinus Nijhoff:
Externe link |
This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.
Mercedes Car
This site monitored by SitePinger.net