|
Ponskaarten zijn kaarten die vroeger werden gebruikt om informatie op te slaan in een vorm die machinaal gelezen kon worden. De bekendste toepassing is die van het invoeren van gegevens in computersystemen.
GeschiedenisJoseph-Marie Jacquard bouwde omstreeks 1790 een weefgetouw dat automatisch werd aangestuurd met ponskaarten. De ponskaart zou echter niet door hem zijn bedacht. Volgens sommigen is de verre voorloper van de ponskaart zelf terug te vinden in de Middeleeuwen. In de negentiende eeuw werden ponskaarten of -platen gebruikt in muziekdoosjes en draaiorgels. Gebruik voor gegevensverwerkingGedurende de twintigste eeuw zijn ponskaarten algemeen gebruikt om informatie op te slaan die machinaal gelezen moest kunnen worden, bijvoorbeeld door mechanische of elektromechanische rekenmachines, en later door computers. Computerprogramma's werden als stapels ponskaarten bewaard in de tijd dat er voor computers nog geen grote en snelle massageheugens anders dan magneetbanden waren. Ook voor er computers waren werden ze al gebruikt in sorteer- en data-opslagtoepassingen. Acceptgirokaarten en overschrijvingskaarten zijn nog heel lang (tot 1981) ponskaarten geweest waarop het gironummer van de rekeninghouder al was ingeponst. Voor het maken van ponskaarten werden kaartponsers gebruikt, grote apparaten met een typemachine-achtig toetsenbord waarop datatypistes en programmeurs hun kaarten ponsten. Een bestand dat eenmaal in de computer zat kon door de computer op een automatische ponsmachine veel sneller en foutloos worden uitgeponst. Soms stond op de bovenste regel in inkt de machinaal leesbare inhoud van de ponskaart afgedrukt voor menselijke lezers. Bepaalde kolommen van een ponskaart werden op sommige computersystemen of door bepaalde programmeertalen (Fortran) gebruikt om er een serienummer in te ponsen: als men namelijk de stapel kaarten op de grond liet vallen en ze raakten door elkaar was het programma meestal niet meer met de hand te construeren door de kaarten op volgorde te leggen zonder sorteernummer. De Belgische warenhuisketen Colruyt die zich specialiseerde in het hanteren van 'de laagste prijzen' gebruikte tot in het eind van de jaren tachtig nog ponskaarten: Bij elke aankoop moest men een ponskaart uit het rek nemen en op het winkelwagentje vastklemmen. Aan de kassa werd deze stapel ponskaarten door de kassier ingevoerd in een primitieve computer die de laatste prijsverlagingen aanpaste en volautomatisch de eindrekening uitprintte. Met de invoering van de personal computer, de streepjescode en de handscanner werd de ponskaart begin jaren negentig dan eindelijk voorgoed als verouderd beschouwd. Ponskaarten werden in de computer ingelezen door kaartlezers, met honderden of duizenden kaarten per minuut. Kleine mechanische imperfecties van de kaarten (vouwtjes, hoekjes) konden tot vastlopen en gegevensverlies leiden. Naast ponskaarten bestond er ook ponsband, een lange (meestal papieren) strook waarin gaatjes geponst waren. De voorlaatste Amerikaanse presidentsverkiezingen liepen volledig in het honderd door het gebruik van ponskaarten als stemformulier in het kiesdistrict Florida, waar de kiezer zelf de juiste 'chad' (vierkantje in kaart op een ponsplaats met voorgeperforeerde randjes dat door een prikje van de stemmer helemaal los gaat - of soms niet helemaal, zoals bleek) moest doorprikken. Deze ponskaarten moesten manueel ettelijke keren herteld worden en gecontroleerd op onreglementaire puncties, waardoor de inauguratie van George W. Bush 47 dagen op zich liet wachten. In een later stadium bestonden er vergelijkbare kaarten, waarbij het voldoende was om met potlood de vakjes in te vullen. Dit systeem wordt nu nog steeds gebruikt bij het in grote groepen afnemen van meerkeuzevragen, zoals theoretische rijexamens of universitaire examens. Het originele ponskaartformaat wordt bij deze optisch leesbare antwoordformulieren echter meestal niet meer gebruikt. Indeling van een kaartEen standaard ponskaart of Hollerithkaart (genoemd naar Herman Hollerith) bestaat uit 80 kolommen van 12 rijen en kan per kolom 1 teken bevatten. De standaardmaten van een kaart waren (sinds 1928) 7 3/8 bij 3 1/4 inch (ca. 187 x 82 mm). De informatie werd in de kaart aangebracht door in een of meer rijen van een kolom een klein rechthoekig gaatje te ponsen. Zulke gaatjes konden (aanvankelijk) mechanisch of (later) optisch worden gedetecteerd. Voor een kilobyte aan informatie waren dus minimaal 13 ponskaarten nodig. Deze regellengte van 80 tekens is lange tijd ook de standaard geweest voor printers en beeldschermen. Soms werden er kleinere kaarten gebruikt. De Nederlandse Postcheque- en Girodienst werkte met kleinere kaarten, van slechts 51 kolommen. De kaarten werden met 80 kolommen geproduceerd, maar een deel van de kaart (de souche) werd er door de rekeninghouder afgescheurd. De rijen van een ponskaart heten, van boven naar beneden: 12 11 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9. De bovenste twee rijen heten zone, de onderste 10 rijen heten digit. De rij 0 hoort dus zowel bij de zone als bij de digits. Is een kolom correct geponst, dan bevindt zich in de rijen 1 t/m 7 hoogstens een ponsing. Hierdoor wordt vermeden dat een kaart te slap wordt door te veel gaten. Het aantal mogelijkheden in een kolom is dus:
Dit is precies het aantal waarden dat een byte kan hebben. De letters en cijfers worden als volgt gecodeerd:
Andere ponscombinaties dienen voor besturing, leestekens e.d. Trivia
|
This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.
Mercedes Car
This site monitored by SitePinger.net